1. Een zaak kan worden berecht door de kantonrechter indien een overtreding is tenlastegelegd, met uitzondering van:

    1. overtredingen, bedoeld in de artikelen 447c, 447d, 465 tot en met 467 en 468, onderdeel 1°, van het Wetboek van Strafrecht;

    2. overtredingen inzake belastingen, tenzij het betreft een overtreding van voorschriften met betrekking tot parkeren als bedoeld in artikel 225 van de Gemeentewet;

    3. overtredingen, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11, eerste lid, van de Opiumwet;

    4. overtredingen, bedoeld in artikel 19 van de Wet afbreking zwangerschap;

    5. overtredingen waarvan de kennisneming bij wet aan een andere rechter dan de kantonrechter is opgedragen;

    6. overtredingen waarvan personen worden verdacht die ten tijde van het begaan de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt en die samenhangen met een overtreding als bedoeld in de onderdelen a tot en met e, en de overtredingen bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Leerplichtwet.

  2. Indien de zaak wordt behandeld door de kantonrechter:

    1. kan de verdachte, tenzij de kantonrechter beveelt dat hij in persoon zal verschijnen, zich op de terechtzitting doen vertegenwoordigen door een daartoe specifiek schriftelijk gemachtigde;

    2. zijn de bepalingen over de voordracht van de zaak door de officier van justitie niet van toepassing;

    3. hoeft de officier van justitie niet bij de uitspraak aanwezig te zijn; en

    4. hoeft het ter kennis brengen van het eindvonnis op grond van artikel 4.3.30 niet plaats te vinden, tenzij:

      1. ten aanzien van de verdachte artikel 14a, 38v, 77m of 77x van het Wetboek van Strafrecht is toegepast, of

      2. een vrijheidsstraf is opgelegd, vervangende vrijheidsstraf daaronder niet begrepen, of

      3. een bijkomende straf is opgelegd, waarbij de ontzetting van bepaalde rechten of de ontzegging van bepaalde bevoegdheden is uitgesproken.