1. De afzonderlijke indiening van de vordering vindt plaats uiterlijk twee jaar na een veroordeling in eerste aanleg, of, als de verdachte in eerste aanleg niet is veroordeeld, na een veroordeling in hoger beroep.

  2. De bepalingen van Hoofdstuk 1 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    1. de procesinleiding in plaats van een opgave van het feit dat wordt tenlastegelegd en de wettelijke voorschriften waarbij het strafbaar is gesteld de vordering vermeldt;

    2. de artikelen 4.1.11, derde lid, en 4.1.12, eerste lid, onderdeel g, niet van toepassing zijn.