1. De officier van justitie kan een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht zowel afzonderlijk bij de rechtbank indienen als voegen bij de berechting van het desbetreffende feit.

  2. Indien de officier van justitie voornemens is de vordering afzonderlijk in te dienen, maakt hij dat, indien dit de verdachte niet eerder was gebleken, tijdens de berechting kenbaar bij zijn requisitoir.