1. Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend:

    1. de verklaring van de verdachte;

    2. de verklaring van een getuige;

    3. de verklaring van een deskundige;

    4. een schriftelijk stuk;

    5. een geluids- of beeldopname;

    6. de eigen waarneming van de rechter.

  2. Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid behoeven geen bewijs.