1. Het openbaar ministerie verliest het recht om de verdachte te vervolgen indien door onrechtmatig handelen bij het opsporingsonderzoek of de vervolging een eerlijk proces niet meer mogelijk is.

  2. Het openbaar ministerie verliest, behoudens zwaarwegende omstandigheden, het recht om de verdachte te vervolgen indien het onrechtmatig handelen bij het opsporingsonderzoek of de vervolging niet te verenigen is met de basisvoorwaarden voor een behoorlijke berechting.

  3. De vervolging van de verdachte is niet te verenigen met de basisvoorwaarden voor een behoorlijke berechting indien onjuist of onvolledig verslag wordt gedaan van ernstig onrechtmatig handelen door een opsporingsambtenaar dat met het tenlastegelegde strafbare feit verband houdt en dit verzuim niet tijdig wordt rechtgezet.

  4. Indien het openbaar ministerie weigert om een op de terechtzitting gegeven bevel van de rechter ten uitvoer te leggen, wordt de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard indien dat in het belang is van een goede rechtsbedeling. Artikel 4.3.13, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.