1. Elke bevoegdheid die de verdachte in dit hoofdstuk is toegekend, komt ook toe aan de raadsman die de op de terechtzitting aanwezige verdachte bijstaat ofwel op grond van artikel 4.2.14 tot de verdediging van de afwezige verdachte is gemachtigd.

  2. In alle gevallen waarin in dit hoofdstuk de instemming of het horen van de verdachte of zijn raadsman is vereist, geldt dit alleen ten opzichte van de op de terechtzitting aanwezige verdachte of zijn raadsman.