1. Aan de verdachte wordt het recht gelaten om het laatst te spreken.

  2. De voorzitter kan naar aanleiding van hetgeen de verdachte aanvoert, bepalen dat aan de verdachte, aan getuigen en deskundigen en aan degenen die het spreekrecht hebben uitgeoefend nieuwe vragen worden gesteld en dat processtukken ter sprake worden gebracht. In dat geval krijgen de officier van justitie en de verdachte opnieuw de gelegenheid het woord te voeren overeenkomstig artikel 4.2.62. Aan de verdachte wordt opnieuw het recht gelaten het laatst te spreken.