1. De voorzitter verhoort de getuige.

  2. De voorzitter geeft daarna de rechters en de officier van justitie de gelegenheid om vragen te stellen aan de getuige.

  3. De voorzitter geeft de verdachte de gelegenheid om vragen te stellen aan de getuige en om naar aanleiding van de verklaring van de getuige opmerkingen te maken.

  4. Indien de getuige tijdens het opsporingsonderzoek nog niet is verhoord en op verzoek van de verdachte wordt verhoord, krijgt de verdachte als eerste de gelegenheid om vragen te stellen. Daarna verhoort de voorzitter de getuige. De voorzitter geeft vervolgens de rechters en de officier van justitie de gelegenheid om vragen te stellen aan de getuige.

  5. De voorzitter stelt de officier van justitie in de gelegenheid om naar aanleiding van de ondervraging bedoeld in het vierde lid opmerkingen te maken.