1. De voorzitter verhoort de verdachte. Hij geeft daarna de rechters, de officier van justitie en de raadsman gelegenheid tot het stellen van vragen aan de verdachte. De voorzitter, de rechters, de officier van justitie en de raadsman kunnen ook gedurende de verdere loop van het onderzoek vragen stellen aan de verdachte.

  2. De voorzitter kan bepalen dat de verdachte in afwezigheid van een of meer andere verdachten of getuigen zal worden verhoord.

  3. Artikel 4.2.39 is van toepassing.

  4. Bij het verhoor van de verdachte wordt zo veel mogelijk onderzocht of zijn verklaring op eigen wetenschap berust.