1. Een bevel tot oproeping van de getuige blijft achterwege indien de officier van justitie aanvoert dat:

    1. sprake is van een bedreigde of afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen is gehouden; of

    2. hij de getuige heeft toegezegd dat deze op geen andere wijze zal worden verhoord dan als bedreigde getuige of afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden, en nog niet onherroepelijk op een vordering als bedoeld in artikel 2.10.39, eerste lid, of artikel 2.10.46, eerste lid, is beslist.

  2. In het geval van het eerste lid, onderdeel b, draagt de rechtbank het verhoor van de getuige op aan de rechter-commissaris, tenzij redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het achterwege blijven van het verhoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. De officier van justitie dient direct nadat de stukken aan de rechter-commissaris zijn overgedragen de vordering, bedoeld in artikel 2.10.39, eerste lid, of artikel 2.10.45, eerste lid, in.