1. Ten aanzien van een niet verschenen getuige beveelt de rechtbank:

    1. de hernieuwde oproeping indien de getuige aan een eerdere oproeping geen gehoor heeft gegeven;

    2. de oproeping indien de officier van justitie de oproeping heeft verzuimd;

    3. de oproeping, indien daartoe binnen de termijn, gesteld in artikel 4.1.4, derde lid, een verzoek is gedaan dat niet is ingewilligd, en de verdachte dit verzoek herhaalt of de rechtbank de getuige ambtshalve wenst te verhoren.

  2. De rechtbank kan van de oproeping dan wel de hernieuwde oproeping afzien indien zij van oordeel is dat:

    1. het onaannemelijk is dat de getuige op de terechtzitting kan worden verhoord binnen een termijn die met het oog op een behoorlijke behandeling van de zaak aanvaardbaar is;

    2. het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring op de terechtzitting in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige op de terechtzitting te kunnen verhoren;

    3. redelijkerwijs valt aan te nemen dat daardoor het openbaar ministerie niet in zijn vervolging of de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad.

  3. Daarnaast kan de rechtbank van de oproeping afzien indien de officier van justitie en de verdachte daarmee instemmen of hebben ingestemd.

  4. De rechtbank kan de medebrenging van de getuige bevelen.