1. De voorzitter kan bevelen dat de in artikel 4.2.16 genoemde personen zich zullen begeven naar door hem aangewezen ruimtes.

  2. De voorzitter kan, gehoord de officier van justitie en de verdachte, getuigen toestaan tot een bepaald tijdstip weg te gaan.

  3. De voorzitter neemt zo nodig maatregelen om te beletten dat getuigen voor het afleggen van hun verklaring op de terechtzitting:

    1. contact met elkaar hebben;

    2. kennis nemen van eerder op de terechtzitting afgelegde verklaringen van andere getuigen en de verdachte.