1. Behalve de rechters en de griffier neemt aan de tafel van de rechtbank niemand plaats.

  2. De rechter die als rechter-commissaris enig onderzoek in de zaak heeft verricht, neemt, behoudens bij toepassing van artikel 4.2.51, derde lid, niet deel aan het onderzoek op de terechtzitting.

  3. De rechter die op het beroep tegen het bevel van de rechter-commissaris, bedoeld in artikel 2.10.39, eerste lid, dan wel tegen de afwijzing van een vordering of een verzoek tot het geven van zodanig bevel heeft beslist dat ter gelegenheid van het verhoor van die getuige zijn identiteit verborgen wordt gehouden, neemt niet deel aan het onderzoek op de terechtzitting. Artikel 1.2.13, derde lid, is niet van toepassing.