1. Tot de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting kan de officier van justitie de procesinleiding intrekken, ook op gronden aan het algemeen belang ontleend. Hij stelt de voorzitter van de rechtbank en de verdachte hiervan direct in kennis. Indien de verdachte al voor de terechtzitting is opgeroepen, stelt de officier van justitie de procesdeelnemers, genoemd in artikel 4.1.11, eveneens in kennis van de intrekking.

  2. In het geval van intrekking van de procesinleiding stelt de officier van justitie de verdachte tevens ervan in kennis dat hij van voortzetting van de vervolging afziet. Door die kennisgeving eindigt de zaak. Artikel 3.4.2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  3. In afwijking van het tweede lid kan de officier van justitie de verdachte direct ervan in kennis stellen dat hij voor het feit waarop de tenlastelegging betrekking heeft een strafbeschikking zal uitvaardigen.

  4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de officier van justitie met instemming van de voorzitter van de rechtbank de procesinleiding intrekt omdat hij van oordeel is dat:

    1. de rechtbank onbevoegd is het feit te berechten en de vervolging bij een ander gerecht dient plaats te hebben; of

    2. de zaak moet worden samengevoegd met een zaak waarin bij een andere rechtbank onderzoek is of wordt verricht.