1. De voorzitter van de rechtbank kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte of zijn raadsman beslissen dat de behandeling van de zaak wordt uitgesteld. Artikel 4.1.9 is van overeenkomstige toepassing.

  2. De voorzitter stelt de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman van zijn beslissing in kennis. Hij bepaalt een nieuwe dag en tijdstip van de terechtzitting en beveelt de oproeping van de procesdeelnemers genoemd in artikel 4.1.11.