1. In de oproeping wordt de verdachte erop gewezen:

    1. bij welke rechtbank, op welke datum en op welk tijdstip de terechtzitting plaatsvindt;

    2. welke getuigen, deskundigen, slachtoffers, personen die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kunnen uitoefenen of tolken worden opgeroepen;

    3. dat hij het recht heeft de voorzitter van de rechtbank te verzoeken getuigen en deskundigen voor de terechtzitting te doen oproepen;

    4. dat hij het recht heeft getuigen en deskundigen naar de terechtzitting mee te brengen;

    5. dat hij het recht heeft de voorzitter van de rechtbank te verzoeken om een tolk te doen oproepen;

    6. dat de voorzitter van de rechtbank of de rechtbank de persoonlijke verschijning of de medebrenging van de verdachte kan bevelen indien het wenselijk wordt geacht dat hij bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting aanwezig is;

    7. dat hij in het geval van artikel 4.2.2, eerste lid, in persoon op de terechtzitting moet verschijnen en dat zijn medebrenging is bevolen overeenkomstig artikel 4.1.7, tweede lid, dan wel dat de rechtbank, indien hij niet verschijnt, overeenkomstig artikel 4.2.13, tweede lid, zijn medebrenging kan bevelen.

  2. Indien de voorzitter heeft bepaald dat sprake is van een regiezitting wordt dit vermeld in de oproeping. In dat geval wordt in afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdelen b, c en d, in de oproeping vermeld dat voor die terechtzitting geen getuigen en deskundigen worden opgeroepen dan wel met het oog op verhoor kunnen worden meegebracht.

  3. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem een vertaling van de oproeping uitgereikt of toegezonden dan wel wordt hij in een voor hem begrijpelijke taal in kennis gesteld van de plaats, de datum en het tijdstip van de terechtzitting en de informatie, omschreven in het eerste en tweede lid.