1. De officier van justitie brengt de zaak ter berechting aan door een procesinleiding bij de voorzitter van de rechtbank in te dienen en deze aan de verdachte te betekenen. De berechting vangt hierdoor aan.

  2. De officier van justitie brengt strafbare feiten waarvan dezelfde persoon wordt verdacht of zaken tegen verschillende verdachten ter gelijktijdige berechting aan indien dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak is.

  3. De procesinleiding bevat:

    1. een opgave van het feit dat wordt tenlastegelegd, met vermelding op welke plaats en omstreeks welke tijd het begaan zou zijn;

    2. de wettelijke voorschriften waarbij het feit is strafbaar gesteld;

    3. een opgave van de getuigen, deskundigen, slachtoffers, personen die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kunnen uitoefenen en tolken die de officier van justitie voor de terechtzitting zal oproepen;

    4. een opgave van geluids- of beeldopnamen waarvan geen volledig proces-verbaal is opgemaakt.

  4. Indien de officier van justitie met het oog op het bepalen van de straf een niet tenlastegelegd feit op de terechtzitting ter sprake wenst te brengen, wordt dit feit in de procesinleiding kort aangeduid.

  5. De officier van justitie stelt de verdachte de processtukken ter beschikking.

  6. Indien een feit onder verwijzing naar het misdrijf, bedoeld in artikel 372 van het Wetboek van Strafrecht wordt tenlastegelegd, kan in de procesinleiding hetzelfde feit niet tevens onder verwijzing naar een ander misdrijf worden tenlastegelegd.