1. Tenzij het gerechtshof anders bepaalt, kan de vervolging niet worden ingesteld door het uitvaardigen van een strafbeschikking.

  2. Indien het gerechtshof een bevel tot vervolging heeft gegeven, kan de officier van justitie niet van vervolging afzien, tenzij het gerechtshof na een daartoe strekkende vordering van de officier van justitie daarmee heeft ingestemd.

  3. De officier van justitie stelt zijn vordering met de gronden waarop van vervolging zou moeten worden afgezien en de processtukken ter beschikking van het gerechtshof.

  4. Het gerechtshof kan in de gevallen waarin het de vordering kennelijk gegrond acht, afzien van een onderzoek op de zitting.

  5. Indien de officier van justitie van oordeel is dat aan de door hem op grond van artikel 3.5.10, vierde lid, tweede zin, gestelde voorwaarde door de verdachte is voldaan, kan hij afzien van vervolging zonder de instemming van het gerechtshof, bedoeld in het tweede lid. Hij stelt de verdachte en de klager in kennis van zijn beslissing.