1. Na een kennisgeving van niet-vervolging kan de verdachte niet worden vervolgd voor hetzelfde feit, behalve in het geval dat:

    1. nieuwe bezwaren bekend zijn geworden;

    2. het gerechtshof een op grond van artikel 3.5.1 gedaan beklag gegrond verklaart en de opsporing van het feit waarop het beklag betrekking heeft of vervolging van de verdachte beveelt.

  2. Als nieuwe bezwaren kunnen worden aangemerkt verklaringen van getuigen, deskundigen of van de verdachte, of andere uit wettige bewijsmiddelen blijkende omstandigheden die niet eerder zijn onderzocht of die na het nemen van de beslissing tot niet-vervolging bekend zijn geworden.

  3. Tot vervolging wordt in geval van nieuwe bezwaren niet overgegaan dan na een ter zake van die bezwaren ingesteld opsporingsonderzoek. De officier van justitie kan het opsporingsonderzoek alleen instellen na een daartoe verkregen machtiging van de rechter-commissaris. Artikel 2.1.14 is van overeenkomstige toepassing.

  4. De officier van justitie stelt de verdachte die een kennisgeving van niet-vervolging heeft ontvangen, in kennis van de instelling van het opsporingsonderzoek, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet.

  5. Indien voor het feit aan de verdachte een bestuurlijke boete is opgelegd of een mededeling als bedoeld in artikel 5:50, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht is verzonden, heeft dit dezelfde rechtsgevolgen als een kennisgeving van niet-vervolging.