1. De officier van justitie kan indien het feit naar zijn oordeel bewijsbaar en strafbaar is, afzien van vervolging onder het stellen van bepaalde voorwaarden waaraan de verdachte binnen of gedurende een daarbij te bepalen termijn moet voldoen.

  2. Bij de aan het gedrag van de verdachte te stellen voorwaarden behoort dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt. Ten behoeve van de naleving van de voorwaarden wordt bij de uitvoering daarvan de identiteit van de verdachte vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 1.4.8, eerste en tweede lid.

  3. Indien de verdachte de gestelde voorwaarden niet naleeft, beslist de officier van justitie over het instellen van vervolging.