1. Indien de rechtbank oordeelt dat zij niet bevoegd is het strafbare feit te berechten, verklaart zij zich onbevoegd.

  2. Indien de rechtbank van oordeel is dat:

    1. de officier van justitie klaarblijkelijk niet-ontvankelijk is;

    2. onvoldoende aanwijzing van schuld van de verdachte aan het tenlastegelegde feit aanwezig is; of

    3. het tenlastegelegde feit of de verdachte klaarblijkelijk niet strafbaar is,

    verklaart zij het bezwaarschrift gegrond en stelt zij de verdachte buiten vervolging. Indien de tenlastelegging betrekking heeft op meerdere feiten, kan zij de verdachte voor een of meer van deze feiten buiten vervolging stellen.

  3. In alle andere gevallen verklaart de rechtbank hetzij de verdachte niet-ontvankelijk in zijn bezwaarschrift, hetzij het bezwaarschrift geheel of gedeeltelijk ongegrond.