1. De officier van justitie neemt naar aanleiding van het opsporingsonderzoek een beslissing over het instellen van vervolging tegen de verdachte. Hij neemt daarbij de beginselen van een goede procesorde in acht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.

  2. Indien de officier van justitie van oordeel is dat vervolging door middel van een strafbeschikking of procesinleiding moet worden ingesteld, gaat hij daartoe zo spoedig mogelijk over.

  3. Zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, maar in ieder geval voordat de officier van justitie vervolging voor een misdrijf instelt, wordt de verdachte zo mogelijk verhoord of, indien hij niet eerder als zodanig is verhoord, op zijn verzoek daartoe in de gelegenheid gesteld.

  4. Ingeval van een misdrijf, omschreven in artikel 245, 247, 248a, 248d of 248e van het Wetboek van Strafrecht en gepleegd ten aanzien van een minderjarige die twaalf jaar of ouder is, stelt de officier van justitie de minderjarige zo mogelijk in de gelegenheid zijn mening over de wenselijkheid van vervolging kenbaar te maken.

  5. Voordat de officier van justitie vervolging voor een misdrijf instelt, roept hij de persoon voor wie krachtens artikel 65, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht door een wettelijk vertegenwoordiger een klacht is ingediend, op en stelt hij deze in de gelegenheid zijn mening over de wenselijkheid van vervolging kenbaar te maken. De oproeping daartoe blijft achterwege als het horen van deze persoon niet mogelijk of wenselijk is in verband met zijn lichamelijke of geestelijke toestand.