1. In geval van verdenking van een misdrijf kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig een persoon volgt of stelselmatig zijn aanwezigheid of gedrag waarneemt.

  2. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste drie maanden worden verlengd.

  3. De officier van justitie kan bepalen dat ter uitvoering van het bevel een technisch hulpmiddel wordt gebruikt of geplaatst, voor zover daarmee geen communicatie, als bedoeld in de artikelen 2.8.13 en 2.8.15, wordt vastgelegd. Een technisch hulpmiddel wordt niet op een persoon bevestigd, tenzij met zijn toestemming dan wel in het geval, bedoeld in artikel 2.8.16, eerste lid, onderdeel c.

  4. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld kan de officier van justitie bepalen dat ter uitvoering van het bevel één of meer besloten plaatsen, niet zijnde een woning, worden betreden zonder toestemming van de rechthebbende.

  5. Indien ter uitvoering van het bevel in een besloten plaats een technisch hulpmiddel is geplaatst, omvat het bevel mede het betreden van de plaats om dit technisch hulpmiddel te verwijderen. Het technisch hulpmiddel wordt zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen een maand na afloop van de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering is gegeven, verwijderd. De officier van justitie kan deze termijn van een maand telkens voor een periode van een maand verlengen.