1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en dat gezien zijn aard of de samenhang met andere in verband met die verdenking begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, bevelen dat een daartoe aangewezen opsporingsambtenaar, al dan niet met een technisch hulpmiddel, op afstand binnendringt in een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk dat bij de verdachte in gebruik is, met het oog op:

    1. de vaststelling van bepaalde kenmerken van de digitale-gegevensdrager of het geautomatiseerde werk of de gebruiker, zoals de identiteit of locatie, en het overnemen daarvan;

    2. de uitvoering van een bevel als bedoeld in de artikelen 2.8.13 en 2.8.15;

    3. de uitvoering van een bevel als bedoeld in artikel 2.8.7, waarbij de officier van justitie kan bepalen dat ter uitvoering van het bevel een technisch hulpmiddel op een persoon wordt bevestigd;

    4. het overnemen van gegevens die op de digitale-gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk zijn verwerkt, of die eerst na het tijdstip van het geven van het bevel worden verwerkt, voor zover redelijkerwijs nodig om de waarheid aan het licht te brengen;

    5. de ontoegankelijkmaking van gegevens die op de digitale-gegevensdrager of het geautomatiseerde werk zijn verwerkt, en met betrekking tot welke of met behulp waarvan het vermoedelijke strafbare feit is gepleegd, voor zover dit noodzakelijk is ter beëindiging van het strafbare feit of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. Artikel 2.7.56, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 11.7a van de Telecommunicatiewet is niet van toepassing op handelingen ter uitvoering van een bevel als bedoeld in de eerste zin.

  2. In geval na het op afstand binnendringen in de digitale-gegevensdrager of het geautomatiseerde werk onderzoek wordt verricht met het oog op het overnemen of het ontoegankelijk maken van gegevens als bedoeld in het eerste lid, onderdelen d en e, dient de in het eerste lid bedoelde verdenking een misdrijf te betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, dan wel een misdrijf als omschreven in de artikelen 98, eerste en tweede lid, 98c, eerste lid, 131, eerste en tweede lid, 138ab, eerste tot en met derde lid, 138b, eerste tot en met derde lid, 138c, 139c, eerste lid, 139d, eerste tot en met derde lid, 139g, eerste lid, 140, eerste lid, 142a, eerste en tweede lid, 160, 161, aanhef en onder 1°, 161bis, aanhef en onder 2°, 161sexies, aanhef en onder 1°, 177, eerste en tweede lid, 179, 182, eerste en tweede lid, onder 1°, 197a, eerste en tweede lid, 205, eerste en derde lid, 225, eerste en tweede lid, 226, eerste lid, 227, eerste lid, 231, eerste en tweede lid, 231a, eerste en tweede lid, 232, eerste en tweede lid, 240b, eerste lid, 247, 248a, 248e, 285b, eerste lid, 350a, eerste tot en met derde lid, 350c, eerste lid, 350d, 363, eerste en tweede lid en 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  3. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste een maand. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste een maand worden verlengd.

  4. Na afloop van de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering is gegeven, wordt het technische hulpmiddel verwijderd. Indien het technische hulpmiddel niet of niet volledig kan worden verwijderd en dit risico’s oplevert voor het functioneren van de digitale-gegevensdrager of het geautomatiseerde werk stelt de officier van justitie de beheerder van het desbetreffende apparaat daarvan in kennis en stelt de nodige informatie ter beschikking ten behoeve van de volledige verwijdering.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

    1. de autorisatie en deskundigheid van de opsporingsambtenaren die kunnen worden belast met de uitvoering van het bevel, bedoeld in het eerste lid, en de samenwerking met andere opsporingsambtenaren;

    2. de geautomatiseerde wijze van vastlegging van de uitvoering van het bevel.

  6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, in de gevallen waarin niet bekend is waar de gegevens zijn opgeslagen.

  7. Het toezicht op de uitvoering van het bevel door de ambtenaren, bedoeld in artikel 1.3.10, onderdeel d, en de personen, bedoeld in artikel 1.3.11, eerste lid, onderdeel b, wordt uitgeoefend door de inspectie, bedoeld in artikel 65 van de Politiewet 2012, overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 6 van de Politiewet 2012.