1. Om toepassing te kunnen geven aan de artikelen 2.7.47, 2.8.13 en 2.8.18 kan de officier van justitie:

    1. met inachtneming van artikel 3.22, eerste en vierde lid, van de Telecommunicatiewet aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 3.22, vierde lid, van die wet bevelen dat met behulp van in dat artikel bedoelde apparatuur een nummer als bedoeld in artikel 1.1 van die wet wordt verkregen;

    2. aan een opsporingsambtenaar bevelen dat met een technisch hulpmiddel een nummer als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet wordt verkregen.

  2. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste een maand. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste een maand worden verlengd. Zodra de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, vaststelt dat het nummer is verkregen, wordt de uitvoering van het bevel beëindigd.