1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en dat gezien zijn aard of de samenhang met andere in verband met die verdenking begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe door de rechter-commissaris verleende machtiging, bevelen dat een opsporingsambtenaar met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst, vastlegt.

  2. De rechter-commissaris kan, op vordering van de officier van justitie, in zijn machtiging bepalen dat deze geldt voor alle nummers en andere aanduidingen waarmee de individuele gebruiker van de communicatiedienst wordt geïdentificeerd, die gedurende de geldigheidsduur van de machtiging bij de gebruiker in gebruik zijn.

  3. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste twee maanden. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste twee maanden worden verlengd.

  4. Indien het bevel betrekking heeft op communicatie die plaatsvindt via een openbaar telecommunicatienetwerk of met gebruikmaking van een openbare telecommunicatiedienst in de zin van de Telecommunicatiewet, wordt, tenzij dat niet mogelijk is of het belang van strafvordering zich daartegen verzet, het bevel tenuitvoergelegd met medewerking van de aanbieder van het openbare telecommunicatienetwerk of de openbare telecommunicatiedienst. Met het oog daarop beveelt de officier van justitie de aanbieder om medewerking te verlenen. Die medewerking omvat het verstrekken van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gegevens over de gebruiker en over het communicatieverkeer van die gebruiker gedurende de periode waarin uitvoering wordt gegeven aan het bevel.

  5. Indien het bevel betrekking heeft op andere communicatie dan die bedoeld in het vierde lid, wordt, tenzij dat niet mogelijk is of het belang van strafvordering zich daartegen verzet, de aanbieder in de gelegenheid gesteld medewerking te verlenen bij de tenuitvoerlegging van het bevel.

  6. Indien het bevel betrekking heeft op het vastleggen van communicatie zonder medewerking van de aanbieders, bedoeld in het vierde en vijfde lid, kan de officier van justitie bepalen dat indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, ter uitvoering van het bevel een besloten plaats zonder toestemming van de rechthebbende wordt betreden of dat een woning wordt betreden zonder toestemming van de bewoner. Artikel 2.8.7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  7. Bij uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is artikel 2.7.52 van overeenkomstige toepassing in het geval van versleutelde communicatie. Op het bevel, bedoeld in artikel 2.7.52, zijn de artikelen 2.7.2 en 2.7.58 van overeenkomstige toepassing.