1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan een opsporingsambtenaar een persoon die redelijkerwijs moet worden vermoed houder te zijn van een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp bevelen dat hij dit ter inbeslagneming uitlevert.

  2. Artikel 2.7.2 is niet van toepassing indien het strafbaar feit een misdrijf betreft als omschreven in de artikelen 92 tot en met 96, 97a tot en met 98c, 240, 240a, 240b, 248a, 250 en 273f van het Wetboek van Strafrecht en het bevel is gegeven om verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp mogelijk te maken.

  3. Het bevel duidt zo nauwkeurig mogelijk de voorwerpen aan waarvan uitlevering wordt bevolen.