1. De rechter-commissaris kan, binnen de grenzen die aan de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheden zijn gesteld, de bevoegdheden uitoefenen als omschreven in de artikelen 2.7.8, 2.7.9, 2.7.10, 2.7.11, 2.7.12, 2.7.16, eerste en derde lid, 2.7.37, 2.7.38, 2.7.39, 2.7.40, 2.7.43, 2.7.46 tot en met 2.7.50, 2.7.56, 2.7.57 en 2.7.67, indien hij onderzoek verricht op grond van de artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4.

  2. Indien de uitoefening van deze bevoegdheden is beperkt tot gevallen van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste een bepaalde duur is gesteld, kan de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie of indien hij onderzoek verricht op grond van de artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4 deze bevoegdheden, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, ook uitoefenen in geval van verdenking van een ander strafbaar feit. Op de vordering van de officier van justitie is artikel 2.1.14, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.