1. De officier van justitie stelt, ook als de desbetreffende bevoegdheid is uitgeoefend door de rechter-commissaris op grond van artikel 2.7.68, de persoon ten aanzien van wie een bevoegdheid als bedoeld in deze afdeling is uitgeoefend in kennis van die uitoefening, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat. De verplichting tot deze kennisgeving vervalt op het moment dat is vastgesteld dat die redelijkerwijs niet mogelijk is.

  2. Indien de persoon ten aanzien van wie de bevoegdheid is uitgeoefend de verdachte is, kan de kennisgeving achterwege blijven indien uit de processtukken van de uitoefening van de bevoegdheid blijkt.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 2.7.45, 2.7.46, vierde en vijfde lid, en 2.7.47, eerste, derde en vierde lid.