1. In geval van inbeslagneming wordt direct een bewijs van uitoefening van deze bevoegdheid uitgereikt aan de beslagene of achtergelaten op de plaats van inbeslagneming, tenzij dit feitelijk niet mogelijk is. Dit bewijs bevat een aanduiding van de inbeslaggenomen voorwerpen.

  2. De officier van justitie dan wel, indien de inbeslagneming plaatsvindt door of onder leiding van de rechter-commissaris, de rechter-commissaris kan, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, bevelen dat het uitreiken of achterlaten van dit bewijs wordt uitgesteld. Een bevel tot uitstel gegeven door de officier van justitie kan alleen worden gehandhaafd na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, die binnen drie dagen door de officier van justitie wordt gevorderd. Na het bevel tot uitstel door de rechter-commissaris of na de door hem verleende machtiging wordt het bewijs uitgereikt of achtergelaten zodra het belang van het onderzoek dit toelaat.

  3. In geval van inbeslagneming van voorwerpen waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet of met het algemeen belang blijven de twee laatste zinnen van het tweede lid buiten toepassing.