1. De officier van justitie kan bepalen dat een bevel als bedoeld in de artikelen 2.7.46, eerste lid, en 2.7.47, eerste lid, aan degene die anders dan voor persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, betrekking kan hebben op gegevens die na het tijdstip van het bevel worden verwerkt. Artikel 2.7.46, zesde lid, is niet van toepassing.

  2. Indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, kan de officier van justitie bepalen dat degene tot wie het bevel is gericht de gegevens direct na de verwerking, dan wel telkens binnen een bepaalde periode na de verwerking verstrekt.

  3. De periode waarover het bevel zich uitstrekt is ten hoogste een maand en kan telkens met ten hoogste een maand worden verlengd.

  4. Indien het bevel is gericht tot de aanbieder van een communicatiedienst en betrekking heeft op gegevens over een gebruiker van een communicatiedienst en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker, is de periode waarover het bevel zich uitstrekt ten hoogste drie maanden en kan het bevel telkens met ten hoogste drie maanden worden verlengd.

  5. In geval van een bevel als bedoeld in het vierde lid kan de officier van justitie in zijn bevel bepalen dat het geldt voor alle nummers en andere aanduidingen waarmee de individuele gebruiker van de communicatiedienst wordt geïdentificeerd, die gedurende de geldigheidsduur van het bevel bij de gebruiker in gebruik zijn.

  6. Zodra niet meer aan de wettelijke voorwaarden voor het bevel wordt voldaan, bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van het bevel wordt beëindigd.

  7. Het bevel kan worden gewijzigd, aangevuld of verlengd.