1. Onderzoek van gegevens ten aanzien van gegevens die zijn opgeslagen op een digitale-gegevensdrager die of een geautomatiseerd werk dat in gebruik is bij een aanbieder van een communicatiedienst kan, voor zover de desbetreffende gegevens klaarblijkelijk betrekking hebben op communicatie die wordt beschermd door het telecommunicatiegeheim, door de officier van justitie alleen worden bevolen indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris.

  2. In dat geval vindt het onderzoek van gegevens alleen plaats voor zover dat kan worden verricht zonder kennis te nemen van die gegevens tenzij klaarblijkelijk:

    1. die gegevens van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn of op hem betrekking hebben, of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend; of

    2. met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is begaan.