1. In geval van onderzoek van gegevens in een digitale-gegevensdrager of een geautomatiseerd werk kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar een onderzoek van gegevens verricht ten aanzien van gegevens die in een elders aanwezige digitale-gegevensdrager of een elders aanwezig geautomatiseerd werk zijn opgeslagen of gedurende de geldigheidsduur van het bevel daarop worden opgeslagen. In geval dit onderzoek ingrijpend stelselmatig onderzoek van gegevens betreft kan de officier van justitie dit bevel alleen geven na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris.

  2. Indien het onderzoek van gegevens in een elders aanwezige digitale-gegevensdrager of een elders aanwezig geautomatiseerd werk wordt verricht tijdens een betreding of doorzoeking als bedoeld in artikel 2.7.37, eerste en derde lid, reikt dit onderzoek niet verder dan voor zover de personen die plegen te werken of te verblijven op de plaats van de betreding of doorzoeking, vanaf die plaats, met toestemming van de rechthebbende op de elders aanwezige digitale-gegevensdrager of het elders aanwezige geautomatiseerd werk, daartoe toegang hebben.

  3. Indien het onderzoek van gegevens in een elders aanwezige digitale-gegevensdrager of een elders aanwezig geautomatiseerd werk wordt verricht na inbeslagneming van een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk, reikt dit onderzoek niet verder dan voor zover de gebruiker van de inbeslaggenomen digitale-gegevensdrager of het inbeslaggenomen geautomatiseerd werk, met toestemming van de rechthebbende op de elders aanwezige digitale-gegevensdrager of het elders aanwezige geautomatiseerd werk, daartoe toegang heeft.

  4. Indien het bevel een onderzoek als bedoeld in het tweede lid betreft, wordt het bevel gegeven vooraf of tijdens de betreding of doorzoeking en vangt de uitvoering van het bevel aan tijdens die betreding of doorzoeking. Met het beëindigen van de betreding of doorzoeking eindigt ook de geldigheidsduur van het bevel.

  5. Indien het bevel een onderzoek als bedoeld in het derde lid betreft, wordt het bevel gegeven na de inbeslagneming van de digitale-gegevensdrager of het geautomatiseerd werk. De geldigheidsduur van dit bevel eindigt drie dagen na het tijdstip van inbeslagneming. De officier van justitie kan, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, bevelen dat de termijn van drie dagen wordt verlengd tot een termijn van ten hoogste drie maanden.