1. In geval van inbeslagneming van een digitale-gegevensdrager of een geautomatiseerd werk strekt het bevel, bedoeld in artikel 2.7.38, eerste en tweede lid, gedurende een periode van drie dagen na het tijdstip van inbeslagneming tevens tot het verrichten van onderzoek van gegevens ten aanzien van gegevens die ten tijde van de inbeslagneming nog niet waren opgeslagen op de digitale-gegevensdrager of het geautomatiseerd werk.

  2. De officier van justitie kan, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, bevelen dat de termijn van drie dagen wordt verlengd tot een termijn van ten hoogste drie maanden.