1. De officier van justitie, de hulpofficier van justitie en de opsporingsambtenaar zijn onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in de artikelen 2.7.10, 2.7.11, 2.7.12 en 2.7.13 bevoegd tot het betreden of doorzoeken van een plaats, vervoermiddel of woning voor het verrichten van onderzoek van gegevens.

  2. In geval van een betreding of doorzoeking voor het verrichten van onderzoek van gegevens zijn de artikelen 2.7.14, 2.7.15 en 2.7.18 van overeenkomstige toepassing.

  3. Een doorzoeking van een plaats als bedoeld in artikel 2.7.12 voor het verrichten van onderzoek van gegevens bij een persoon die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, kan met toestemming van deze persoon worden verricht op afstand. In dit geval is artikel 2.7.12, tweede lid, niet van overeenkomstige toepassing. Met betrekking tot de toestemming is artikel 2.7.14 van overeenkomstige toepassing.