1. Indien drie maanden zijn verstreken na de datum waarop de bewaarder de persoon aan wie teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp is bevolen in kennis heeft gesteld van het bevel tot teruggave en deze geen aanspraak op afgifte daarvan heeft gemaakt, kan de bewaarder met het voorwerp handelen als ware het verbeurdverklaard.

  2. Indien zes maanden zijn verstreken na de datum waarop de bewaring van het inbeslaggenomen voorwerp ten behoeve van de rechthebbende is bevolen en teruggave niet mogelijk is gebleken, kan de bewaarder met het voorwerp handelen als ware het verbeurdverklaard.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op inbeslaggenomen voorwerpen als bedoeld in artikel 2.7.24, tweede lid.