1. In geval van een schouw of doorzoeking van een plaats als bedoeld in dit hoofdstuk kan de daarmee belaste rechter-commissaris of opsporingsambtenaar, zolang het onderzoek ter plaatse niet is afgelopen:

    1. bevelen dat niemand zich, zonder zijn uitdrukkelijke toestemming, van de plaats van onderzoek zal verwijderen of van communicatievoorzieningen gebruik zal maken;

    2. bevelen dat degene tot wie het bevel is gericht zich van de plaats van onderzoek zal verwijderen;

    3. maatregelen nemen of doen nemen die redelijkerwijs nodig zijn om het wegmaken, onbruikbaar maken, onklaar maken of beschadigen van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen of van sporen van het strafbare feit te voorkomen;

    4. maatregelen nemen of doen nemen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de veiligheid van de bij de uitvoering van de schouw of doorzoeking betrokken opsporingsambtenaar of rechter-commissaris;

    5. maatregelen nemen of doen nemen tot bewaking of afsluiting van de plaats.

  2. De bevelen en maatregelen kunnen de vrijheid beperken van personen die zich ter plaatse bevinden.

  3. De rechter-commissaris of de opsporingsambtenaar kan degene die niet aan een bevel als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of b, voldoet, tot de afloop van het onderzoek doen ophouden.

  4. Artikel 2.7.2 is niet van toepassing op een bevel als bedoeld in dit artikel. Indien de verdachte of, in geval van doorzoeking, de rechthebbende van de plaats die wordt doorzocht, verzoekt contact op te mogen nemen met zijn raadsman of advocaat, wordt hem daartoe toestemming verleend.