1. Een bevel tot teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp is gericht tot de bewaarder of tot de ambtenaar die het voorwerp onder zich heeft.

  2. Indien niet aan het bevel tot teruggave kan worden voldaan omdat de bewaring van het voorwerp is beëindigd overeenkomstig artikel 2.7.31, wordt aan het bevel tot teruggave uitvoering gegeven door de prijs die het voorwerp bij verkoop heeft opgebracht of redelijkerwijs zou hebben opgebracht uit te betalen.

  3. Aan een bevel tot teruggave van een voorwerp wordt niet voldaan, zolang:

    1. er beslag op rust, door een derde gelegd ingevolge de Tweede, Derde of Vierde Titel van het Tweede Boek II en de Vierde Titel van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij degene door wie het bevel tot teruggave is gegeven uitdrukkelijk anders bepaalt;

    2. een wettelijke bepaling zich tegen teruggave verzet.

  4. Aan een bevel tot teruggave van een voorwerp als bedoeld in artikel 6.4.9, eerste lid, wordt, indien het voorwerp verbeurdverklaard of aan het verkeer onttrokken was met verlening van een geldelijke tegemoetkoming, niet voldaan zolang het bedrag van de geldelijke tegemoetkoming niet aan de Staat is terugbetaald.

  5. Onder teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp wordt mede verstaan het verrichten van de in verband met de beëindiging van het beslag vereiste formaliteiten.