1. Inbeslaggenomen voorwerpen die niet zijn teruggegeven worden, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, in opdracht van de officier van justitie onder de hoede van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bewaarder gesteld.

  2. Deze voorwerpen kunnen ook aan een andere door de officier van justitie aangewezen bewaarder in gerechtelijke bewaring worden gegeven, indien dit voor het behoud, de bestemming of de beveiliging van deze voorwerpen redelijkerwijs noodzakelijk is.