1. Indien de beslagene ten overstaan van een opsporingsambtenaar of de rechter-commissaris verklaart dat het inbeslaggenomen voorwerp hem toebehoort en dat hij daarvan afstand doet en de verklaring dat het voorwerp hem toebehoort redelijkerwijs aannemelijk is, kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, bevelen dat daarmee wordt gehandeld als ware het verbeurdverklaard of aan het verkeer onttrokken.

  2. Indien het inbeslaggenomen voorwerp een geringe hoeveelheid van een middel betreft als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet en een verklaring van afstand niet wordt afgelegd, kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie, indien in verband met het inbeslaggenomen voorwerp geen vervolging wordt ingesteld, bevelen dat met het voorwerp wordt gehandeld als ware het aan het verkeer onttrokken.

  3. De verklaring van afstand wordt vooraf, afzonderlijk vastgelegd. Artikel 2.1.15, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.