1. Indien het belang van de strafvordering zich niet verzet tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp en de beslagene ten overstaan van een opsporingsambtenaar of de rechter-commissaris verklaart afstand te doen van het inbeslaggenomen voorwerp, kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie bevelen dat:

    1. het voorwerp wordt teruggegeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt;

    2. het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende in bewaring zal blijven, indien teruggave nog niet mogelijk is.

  2. Wordt een verklaring van afstand niet afgelegd, dan kan de officier van justitie de teruggave of bewaring alsnog bevelen, indien de beslagene, nadat de officier van justitie hem in kennis heeft gesteld van het voornemen tot teruggave of bewaring zich niet daarover heeft beklaagd of het door hem ingestelde beklag ongegrond is verklaard.

  3. Wordt een verklaring van afstand niet afgelegd, dan kan de officier van justitie het voorwerp ook meteen in bewaring geven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt en aan wie de officier van justitie voornemens is het voorwerp terug te geven, indien de beslagene dit kennelijk door middel van een strafbaar feit aan die rechthebbende heeft onttrokken of onttrokken heeft gehouden. Degene aan wie het voorwerp in bewaring is gegeven, is bevoegd het voorwerp te gebruiken.

  4. Indien een ander dan de beslagene de officier van justitie verzoekt om toepassing van het tweede lid, stelt de officier van justitie wanneer hij zich buiten staat acht om een beslissing te nemen, deze ander in kennis van het recht op beklag dat hij heeft ingevolge Boek 6, Titel 4.1.

  5. De verklaring van afstand wordt vooraf, afzonderlijk vastgelegd. Artikel 2.1.15, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.