1. Tot bewaring van het recht tot verhaal kan de officier van justitie namens de Staat de bevoegdheden uitoefenen die in het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn toegekend aan een schuldeiser die in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld als gevolg van een onverplicht door de schuldenaar verrichte rechtshandeling. Artikel 2.7.21, eerste lid, onderdelen d en e, is van overeenkomstige toepassing.

  2. Voor de toepassing van de artikelen 46 en 47, Boek 3, van het Burgerlijk Wetboek geldt het in die artikelen bedoelde vermoeden van wetenschap voor rechtshandelingen die door de verdachte zijn verricht binnen een jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen.

  3. Tot bewaring van het recht tot verhaal heeft de officier van justitie verder de bevoegdheid namens de Staat als schuldeiser in het faillissement van de verdachte op te komen. Zolang het bedrag van de geldboete, de ontnemingsmaatregel of de schadevergoedingsmaatregel nog niet vaststaat, wordt hij geacht voor een voorwaardelijke vordering op te komen.

  4. De officier van justitie behoudt de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en tweede lid, ondanks faillissement, voor zover de voorwerpen waarop de onverplichte rechtshandelingen betrekking hebben, niet door de curator op grond van de artikelen 42 tot en met 51 van de Faillissementswet worden gevorderd.

  5. Tot kennisneming van geschillen over de toepassing van het eerste tot en met vierde lid door de officier van justitie is de burgerlijke rechter bevoegd.