1. Op het beslag, bedoeld in artikel 2.7.19, is de Vierde Titel van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing, behoudens dat:

    1. voor het leggen van het beslag geen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank is vereist, noch vrees voor verduistering behoeft te bestaan;

    2. voor roerende zaken die geen registergoederen zijn en voor rechten aan toonder of order, in plaats van betekening van het beslagexploot door de deurwaarder, kan worden volstaan met het door een opsporingsambtenaar opmaken van een proces-verbaal van inbeslagneming en het overeenkomstig artikel 2.7.5 uitreiken of achterlaten van een bewijs van uitoefening van de bevoegdheid tot inbeslagneming;

    3. een maximumbedrag waarvoor het beslag wordt gelegd in het proces-verbaal van inbeslagneming of het beslagexploot dient te worden vermeld;

    4. geen overeenkomstige toepassing toekomt aan voorschriften over termijnen waarbinnen na het beslag de eis in de hoofdzaak dient te zijn ingesteld;

    5. het niet in acht nemen van termijnen waarbinnen betekening van het beslag moet plaatsvinden, met uitzondering van de termijnen die gelden voor betekening van het beslag op aandelen en effecten op naam en op onroerende registergoederen, geen nietigheid van het beslag meebrengt;

    6. geen overeenkomstige toepassing toekomt aan artikel 721 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; de officier van justitie stelt de derde, indien de hoofdzaak na het beslag op de terechtzitting aanhangig wordt gemaakt, daarvan zo spoedig mogelijk in kennis;

    7. geen overeenkomstige toepassing toekomt aan artikel 722 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

    8. op inbeslaggenomen roerende zaken die in bewaring worden genomen de artikelen 2.7.28 en 2.7.31 van toepassing zijn;

    9. de beëindiging van het beslag met inachtneming van de bepalingen van dit wetboek plaatsvindt.

  2. Indien de beslagene niet de verdachte is, wordt het bewijs van uitoefening van de bevoegdheid tot inbeslagneming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, tevens ter kennis gebracht van de verdachte. Artikel 2.7.5, tweede lid, is op het ter kennis brengen van het bewijs van overeenkomstige toepassing.