De machtiging, bedoeld in artikel 2.7.19, zesde lid, wordt direct aan de verdachte, en zo het beslag onder een derde is gelegd, ook aan deze, betekend:

  1. door de officier van justitie, op de wijze zoals voorzien bij dit wetboek; of

  2. door de gerechtsdeurwaarder, overeenkomstig de wijze van betekening van het verlof, bedoeld in artikel 702, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.