1. Indien het betreden van een plaats, bedoeld in artikel 2.7.10, onderdeel a, of de doorzoeking, bedoeld in de artikelen 2.7.11, eerste lid, 2.7.12, 2.7.13 of 2.7.69, eerste lid, wordt uitgeoefend buiten aanwezigheid van de rechthebbende van de desbetreffende plaats of het desbetreffende vervoermiddel of de bewoner van de desbetreffende woning, wordt direct een kennisgeving van de uitoefening van de bevoegdheid achtergelaten.

  2. De kennisgeving vermeldt:

    1. de bevoegdheid die is uitgeoefend;

    2. een aanduiding van de plaats, het vervoermiddel of de woning en, indien bekend, de naam van de rechthebbende of de bewoner;

    3. de datum en het tijdstip waarop de bevoegdheid is uitgeoefend.

  3. De officier van justitie dan wel, indien het betreden van de plaats of de doorzoeking heeft plaatsgevonden door of onder leiding van de rechter-commissaris, de rechter-commissaris kan, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, bevelen dat het achterlaten van de kennisgeving wordt uitgesteld. In dat geval wordt de kennisgeving uitgereikt aan de rechthebbende of de bewoner zodra het belang van het onderzoek dit toelaat.