1. Van de inbeslagneming van een voorwerp wordt, ook in geval de inbeslagneming plaatsvindt door of onder leiding van de officier van justitie of rechter-commissaris, door de opsporingsambtenaar een kennisgeving van inbeslagneming opgemaakt.

  2. De opsporingsambtenaar legt de kennisgeving van inbeslagneming zo spoedig mogelijk voor aan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie om met inachtneming van de bepalingen van Afdeling 7.2.4 te doen beoordelen of het beslag moet worden gehandhaafd. Zo nodig overlegt de hulpofficier van justitie met de officier van justitie.