1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bij dringende noodzaak en indien het optreden van de rechter-commissaris niet kan worden afgewacht, na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, bevelen dat een opsporingsambtenaar een woning ter inbeslagneming zonder toestemming van de bewoner of de rechthebbende doorzoekt.

  2. Kan ook het optreden van de officier van justitie niet worden afgewacht, dan kan het bevel worden gegeven door de hulpofficier van justitie. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de machtiging, zo veel mogelijk door tussenkomst van de officier van justitie, kan worden verzocht door de hulpofficier van justitie. In dat geval is voor het binnentreden in de woning door de hulpofficier van justitie geen machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden vereist.

  3. De in het eerste lid bedoelde doorzoeking vindt plaats onder leiding van de officier van justitie en in het geval deze niet bij de doorzoeking aanwezig is in aanwezigheid van de hulpofficier van justitie. De in het tweede lid bedoelde doorzoeking vindt plaats in aanwezigheid en onder leiding van de hulpofficier van justitie.