1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan een opsporingsambtenaar ter inbeslagneming een vervoermiddel, met uitzondering van het woongedeelte zonder toestemming van de bewoner, doorzoeken en zich daartoe de toegang tot dit vervoermiddel verschaffen.

  2. Indien dit met het oog op de doorzoeking van het vervoermiddel noodzakelijk is, kan de opsporingsambtenaar:

    1. de bestuurder van het vervoermiddel bevelen het vervoermiddel tot stilstand te brengen, en

    2. het vervoermiddel vervolgens naar een daartoe door hem aangewezen plaats overbrengen of door de bestuurder laten overbrengen.

  3. Ten aanzien van het bevel, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, geldt dat:

    1. het bevel ook door middel van gebaren of een stopteken kan worden gegeven;

    2. artikel 2.7.2 niet van toepassing is.