In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan een opsporingsambtenaar:

  1. ter inbeslagneming elke plaats, met uitzondering van een kantoor van een functioneel verschoningsgerechtigde, betreden en daar met dat doel zoekend rondkijken;

  2. indien ter inbeslagneming doorzoeking van een plaats noodzakelijk wordt geacht, elke plaats betreden en in afwachting van het optreden van degene die tot doorzoeking bevoegd is, bevelen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.7.3 geven respectievelijk nemen.