Bevelen van de rechter-commissaris, de officier van justitie of de hulpofficier van justitie als bedoeld in dit hoofdstuk worden afzonderlijk vastgelegd met uitzondering van:

  1. bevelen als bedoeld in de artikelen 2.7.3, 2.7.5, tweede lid, 2.7.12, 2.7.18, derde lid, 2.7.35, tweede lid, 2.7.43, tweede lid, en 2.7.56, derde lid;

  2. bevelen als bedoeld in de artikelen 2.7.38, 2.7.40, 2.7.56, eerste lid, tenzij voor het geven daarvan een machtiging van de rechter-commissaris is vereist.